Plaatje 3

 
 
 
 
 
 

 

Het zien van de os

 
 
Ineens ziet de mens de os. Met als gevolg rust. Maar dat duurt niet lang. Haastig vlucht de os in een van de vele zijpaden van het woud. Naar een plek waar het gras mals is. Plotseling klinkt boven in de kruin van de boom het heldere gezang van een nachtegaal. De zon straalt warm, zachtjes waait de wind, aan de oever lopen de wilgen uit. Er is geen plaats meer waar de os zich zou kunnen verstoppen. Zo mooi is die prachtige kop met de hoog oprijzende horens, dat geen schilder hem zou kunnen schilderen.
 
Het gezicht van de herder stiet recht op de neus van de os. Nu hoeft hij het brullen niet meer te volgen. Deze os is wit noch blauw. Stil knikt de herder zichzelf toe en veroorlooft zich een zacht glimlachen. Er bestaan geen penseel en geen pen voor dit landschap.